De oorsprong van de trapgevel

Frans J.P.M. Kwaad

 HOME

 E-mail

Deze website sluit aan bij de website Bouwstijlen en geveltypen van historische woonhuizen in Hoorn .

De trapgevel is ontstaan in de Middeleeuwen
In deze website wordt aan de hand van veel beeldmateriaal de oorsprong van de trapgevel nagegaan. We kennen de trapgevel in Nederland vooral uit de eerste helft van de 17e eeuw. Dat was bij ons de tijd van de Hollandse Renaissance of het Noordelijk Maniërisme. Op de site  Amsterdam-Monumenten staat vermeld:
"Trapgevels worden gebouwd in de stijl van de renaissance. In deze stijl worden schuine lijnen zoveel mogelijk vermeden (vandaar dat men de schuine zijden van het puntdak aan het oog wil onttrekken). De trapgevel wordt in Amsterdam in de periode ±1600-±1665 gebouwd."
De trapgevel is echter een gevelvorm die al lang voor de Renaissance in onze streken bestond. Het hieronder getoonde beeldmateriaal dient om te laten zien, dat de trapgevel al in de Middeleeuwen (vanaf de 12e eeuw) in West-Europa werd toegepast als gevelvorm. Dat is de tijd van de Romaanse bouwstijl en van de Gotiek:
     950 - 1250 Romaanse bouwstijl
   1230 - 1560 Gotiek
   1525 - 1665 Hollandse Renaissance of Noordelijk Maniërisme

De Romaanse trapgevel was eenvoudig en sober, met ezelsruggen op de treden. De Gotische trapgevel was veel rijker van stijl, met vensternissen in de vorm van spitsbogen en pinakels op de treden. De verticale lijn domineert in de geleding van de gotische gevel, hoewel ook al horizontale speklagen en regenlijsten voorkwamen. In de 15e eeuw is de welbekende Oud-Hollandse trapgevel ontwikkeld, met het accent op de horizontale belijning. Van dit laatste type trapgevel zijn grote aantallen gebouwd in de eerste helft van de 17e eeuw. Plaatsen als Amsterdam en Hoorn hebben er vol mee gestaan. Daarvan zijn er nu nog honderden te bewonderen in Nederland. Onder invloed van de Renaissance zijn een aantal van de trapgevels in de 17e eeuw versierd met klassieke frontons, rolwerk, voluten en klauwstukken. Romaanse en Gotische huizen met trapgevels zijn zeldzaam in ons land. Enkele exemplaren komen voor in plaatsen langs de IJssel (Doesburg, Zutphen, Deventer, Zwolle, Kampen), in Enkhuizen, Edam, Utrecht, Amersfoort, Harderwijk, Delft, Dordrecht, Goes en Zierikzee. Verder zien we trapgevels bij enkele Romaanse kastelen (Muiderslot, slot Radboud in Medemblik, kasteel Horn in Roermond, kasteel Croy in Stiphout), enkele stadspoorten (Bergen op Zoom, Kampen, Zwolle) en enkele Gotische raadhuizen (Gouda, Vianen, Middelburg). Zie de adressen aan het eind van deze site.

De Middeleeuwse (Gotische) bouwwerken zijn gerestaureerd, gerenoveerd of gereconstrueerd. De vraag rijst, hoe authentiek ze nog zijn qua vorm en constructie. Ook namaak komt voor, zoals op de Markt in Brugge. Daar zijn alleen de Halle en het Belfort nog authentiek middeleeuws. De rest van de 'middeleeuwse' gebouwen op de Markt zijn nabootsingen uit de 19e en 20e eeuw (Denslagen, 2004, p. 29). Dat is de reden, dat op deze website ook schilderijen worden getoond. Zij laten de middeleeuwse gebouwen zien door de ogen van tijdgenoten, hoewel we daarmee ook voorzichtig moeten zijn. Middeleeuwse schilderijen zijn naturalistisch, maar niet realistisch. Een stadsgezicht op een middeleeuws schilderij is geen natuurgetrouwe weergave van een werkelijk bestaande stad. Het dient als decor voor een doorgaans religieuze voorstelling. De afgebeelde huizen zijn echter wel ontleend aan de bestaande architectuur die de schilder om zich heen zag.



 
Voorbeeld van een trapgevel uit 1563 in Renaissance-stijl. Let op de klassieke driehoekige frontons en de klauwstukken. Het pand is het vroegere Sint Jans Gasthuis (ook bekend als de Boterhal) in Hoorn, Kerkplein 39.
 

Het gebruik van de trapgevel als geveltype voor woonhuizen valt samen met de overgang van hout naar steen als bouwmateriaal voor woonhuizen. Middeleeuwse houten huizen hadden geen getrapte topgevel maar een puntgevel. De langwerpige huizen stonden loodrecht op de straat gericht en hadden doorgaans een zadeldak met een dakhelling van 50 tot 60 graden vanwege ons regenachtige klimaat. Dit bracht een steile driehoekige gevelpunt (topgevel) aan de straatzijde (en aan de achterzijde) van de huizen met zich mee. De komst van het betaalbare zink in de 19e eeuw maakte toen een kleinere dakhelling mogelijk (Janse, 1993). De vraag rijst, waarom men de topgevel in de vorm van een trap is gaan bouwen, toen men overging van hout op steen. De inspiratie voor de getrapte vorm van de stenen topgevel moet mogelijk worden gezocht in de kantelen van de middeleeuwse kastelen. Zie ook het hoofdstuk van deze website over de mogelijke samenhang van de trapgevel met de zgn. levenstrap. Mogelijk hebben ook bouwtechnische redenenen een rol gespeeld. Bouwhistoricus Wim Weve (pers. mededeling) formuleert het bouwtechnische aspect van de trapgevel als volgt:

"Architectonische vormen hebben altijd een relatie met bouwkundige, en andere technische aspecten. Niet alles wat mooi is is alleen voor de sier gemaakt maar heeft meestal ook practisch nut. Het ontstaan van de trapgevel heeft te maken met het locaal beschikbare bouwmateriaal voor dak en gevel en het gewenste gebruik van steile daken tussen topgevels. In topgevels kunnen makkelijk lichtvensters en hijsdeuren worden aangebracht wat nodig is als men zolders wil gebruiken. Hout kan men in grote lengtes schuin leggen wat leidt tot houten huizen met zadeldaken en met houten puntgevels waar de dakvlakken ter bescherming van de onderliggende gevel iets over uitsteken. Die dakvorm bleef in onze streken in gebruik bij stenen huizen. Daarvoor was het niet meer nodig dat de dakvlakken over de gevels uitstaken en kon de voorgevel boven het dak uitsteken, wat meer aanzien gaf, al was het maar omdat het huis dan hoger leek dan het feitelijk was. Bij het gebruik van relatief kleine blokvormige elementen, baksteen, maar ook kleinere blokken natuursteen, in combinatie met een (in onze streken gebruikelijk) steil schuin zadeldak, zal men daarbij 'vanzelf' op een trapsgewijze stapeling zijn gekomen. In Noord-Frankrijk zijn er bijvoorbeeld trapgevels in natuurstenen blokken (van ongeveer een voet hoog) waarbij de trappen van de trapgevels steeds één steen verspringen. De trappen in de zuidelijke Nederlanden zijn in het algemeen kleiner dan die in Holland terwijl verder noordelijk de treden nog groter kunnen worden (Hanzesteden aan de Oostzeekust). In zuidelijke mediterrane streken is de noodzaak voor steile daken niet aanwezig. In de architectuur kon men spelen met de trapvorm waardoor het decoratieve effect ging overheersen."

De trapgevel komt vooral voor als voorgevel. Maar naast trapgevels bouwde men ook stenen puntgevels en stenen tuitgevels. Daarbij werden langs de schuine zijden zgn. vlechtingen van baksteen toegepast, met daaroverheen soms een rollaag. Deze gevelconstructie was in feite beter bestand tegen de tand des tijds dan de trapgevel met zijn uitstekende punten van de traptreden.

De punt- en tuitgevel komen vooral voor als achtergevel, minder vaak als voorgevel. De puntgevel was het toppunt van soberheid. Hij werd gezien als de mindere van de trapgevel. De puntgevel was typisch een model voor de achterkant van de huizen. Toch was het metselwerk van de puntgevel niet zo eenvoudig als het lijkt. Vaak komen langs de schuine zijden zgn. vlechtingen van baksteen voor om de randen beter bestand te maken tegen de invloeden van weer en wind. De puntgevel was daardoor minder kwetsbaar en minder onderhoudsgevoelig dan de trapgevel met zijn uitstekende treden. De trapgevel was een zgn. schermgevel. Hij werd hoger opgetrokken dan het erachter gelegen zadeldak. Daardoor was het een kwetsbare gevelvorm die veel onderhoud nodig had en heeft. Dit is ook de reden dat in de loop der tijd van veel oorspronkelijke trapgevels de topgevel is verwijderd en vervangen door een kroonlijst met daarachter een hellende dakvlak of door een puntgevel.

De voorgevel was het visitekaartje van de eigenaar/bewoner van het huis en kon dienen als statussymbool. De eerste helft van de Gouden Eeuw (de periode 1600-1650) was een tijd van economische voorspoed. Men kon zich daarom in die tijd veroorloven om verder te gaan dan de stricte eisen van nut en noodzaak. De gegoede burger wilde graag laten zien hoe succesvol hij was. De trapgevel, voorzien van de nodige ornamenten, had meer allure dan de puntgevel, en gaf dus meer aanzien. Daarbij speelden ook overwegingen van artistieke en stilistische aard een rol. De periode 1525-1665 was de tijd van de Noordelijke of Hollandse Renaissance (tegenwoordig Noordelijk Maniërisme genoemd). De jaren 1590-1630 waren de hoogtijdagen daarvan. In de Renaissance wilde men schuine lijnen zoveel mogelijk vermijden. De trapgevel kon beter dan de schuine belijning van de puntgevel worden ingepast in de vormentaal van de Renaissance. Deze overweging zal vooral de ontwikkelde en bemiddelde bovenlaag hebben aangesproken. Men wilde meedoen met de moderne tijd. Vanaf 1550 begonnen gedrukte voorbeelden een rol te spelen bij de introductie en verspreiding van vormen uit de Italiaanse Renaissance in de Nederlanden. In Italië komen steile dakhellingen, en dus ook het verschijnsel topgevel, niet voor. De Romeinen kenden een dakhelling van 22 graden. Dat is ook de helling van het klassieke fronton. De invloed van de Renaissance leidde niet tot het verdwijnen van onze inheemse trapgevel, maar tot het aanbrengen van een rijke en gevarieerde versiering op de gevel. In feite leenden onze smalle huizen met hun steile driehoekige topgevels zich totaal niet voor de horizontale lijn die door de Renaissance werd voorgeschreven. Daarvoor waren veel bredere gevels nodig. De invloed van de Renaissance bleef daardoor beperkt tot versieringen die aan de bestaande trapgevelvorm werden toegevoegd. Zo ontstonden trapgevels met sierstukken op de treden zoals klauwstukken en voluten (krullen of spiralen). Boven de vensters werden regelmatig aan de oudheid ontleende frontons toegepast.

 
Achtergevel van het huis Donkerstraat 26, Harderwijk. Het is een bakstenen tuitgevel met vlechtingen en een rollaag. Klik op de foto om de voorgevel van dit eind 15e eeuwse huis te zien (Foto's:  K. Uittien ).
 


 

 
Links: Een voorbeeld van een (gerestaureerde) 17e eeuwse trapgevel, zoals er honderden zijn in Nederland. Deze is uit 1635 en staat op het Nieuwe Noord in Hoorn. Let op de kruiskozijnen, de korfbogen boven de ramen en de horizontale regenlijsten.
Rechts: Deel van een paneel uit de serie "De zeven werken van barmhartigheid" door de Meester van Alkmaar uit 1504. Het hele paneel is verderop in de site te zien.
Dit type trapgevel, met het accent op de horizontale geleding van de vlakke gevelwand, bestond dus al in Nederland vóór de tijd van de Hollandse Renaissance zoals blijkt uit de vergelijking van de afbeeldingen. Dergelijke gevels komen ook voor op de schilderijen van de 'Vlaamse primitieven' uit de 15e eeuw die verderop in deze site worden getoond.

Trapgevels komen, behalve in Nederland en België, ook voor in Frankrijk, Duitsland en Engeland. De benamingen zijn als volgt:
    Duits: Staffelgiebel, Treppengiebel, Stufengiebel
    Engels: step gable, crow step, corbie step
    Frans: pignon à redans, facade à redans

Uit de afbeeldingen die op deze website worden getoond, komt duidelijk naar voren, dat verschillende typen of stijlen kunnen worden onderscheiden in de middeleeuwse trapgevels, samenhangend met (a) het land of de streek, (b) de tijd waarin de gevel is gebouwd, (c) de positie of status van de bouwheer of opdrachtgever en (d) de aard van het bouwwerk (woonhuis, opslagplaats, kasteel, stadspoort, raadhuis). Dit geldt trouwens ook voor de 17e eeuwse trapgevels. Dit punt zal nog verder worden uitgewerkt.
 


                     Schema van geveltypen (Bron: Grote Winkler Prins Encyclopedie, 1976, deel 8, p. 298).
 


        Amsterdamsche Gevels 1500-1620, tekening uit 1885 door A.W. Weissman (Bron: Het Grachtenboek, 1992).
 

 
Romaanse trapgevels van onregelmatige brokken natuursteen in Gent, België. Links het Korenstapelhuis of 'De Spijker' aan de Graslei uit 1175. Rechts de Woonst Jan Borluut uit 1250 (Bron: Belgiumview ). Let op de rondbogen en de horizontale lijnen in deze gevels. Klik hier voor een detail van het metselwerk van de linkergevel.
 
 
Kasteel Radboud uit ca. 1288 in Medemblik. Getrapte topgevels met zgn. "ezelsruggen'' op de treden en de kantelen. Klik hier voor een tweede foto. De vensteropeningen met spitsbogen zijn gotisch.
 
 
Gotische trapgevels in Harderwijk, Donkerstraat 26 (eind 15e eeuw , foto K. Uittien); Doesburg, Meipoortstraat 59 (ca. 1500, Kleijn et al., 2004) en Enkhuizen, Westerstraat 76 (ca. 1537, Meischke et al., 2002). Let op de horizontale speklagen in de gevel uit Enkhuizen.
 
 
 
Het beroemde schilderij "Het Straatje" van Johannes Vermeer uit 1675 ( Rijksmuseum, Amsterdam ). Het afgebeelde huis heeft een trapgevel met zgn. klimmende kantelen. Volgens een zeer interessante bouwhistorische studie van het afgebeelde huis zou het huis zijn gebouwd in de periode 1450-1525. Lees die studie!

 
 

Laat-gotische gevel met pinakels uit 1540 (Edam, Dam).
 
 

 
Voorbeelden van zgn. Hanzegotiek uit Noord-Duitsland (Neubrandenburg, Rostock, Lübeck). Dit is een laat-gotische baksteenarchitectuur die tijdens de bloeiperiode van de Duitse Hanze (14e-15e eeuw) tot ontwikkeling kwam in de steden langs de Oostzee, van Lübeck tot Danzig.
 

 
Gotische trapgevels met ezelsruggen in Lübeck, Noord-Duitsland. Een aantal van deze gevels heeft een dominant verticale geleding door nissen in de vorm van spitsbogen. Dat is kenmerkend voor de gotische bouwstijl. Sommige van de gevels doen Romaans aan met hun vensteropeningen met rondbogen (Bronnen: CityAlbum , Lübeck  en  Neubrandenburg ).
 
 
 
Gotische gevels in Zutphen (Waalstraat), Goes (Turfkade 11) en Dordrecht (Nieuwstraat). Let op de pinakels op de geveltop (linker huis), de spitsbogen onder de traptreden (middelste huis) en de gotische driepassen in de nissen boven de ramen op de tweede verdieping (rechter huizen). Dat zijn kenmerken van de Gotiek, evenals de inspringende vensternissen. De zeventiende eeuwse trapgevels zijn vlak. Bronnen:  CityAlbum en  Schigt - Kapelle .
 
 
Links: Middeleeuwse houten gevels in Brugge, België. Rechts: Voorgevel van het huis  De Haan  aan de Meelstraat 1 in  Zierikzee (eerste helft veertiende eeuw). Let op de gotische driepas in de spitsboog in de top van de gevels.
 
 
 
Gotische trapgevels (links en rechts) op het Jan van Eyckplein in Brugge, België. Let op de hoge doorgaande vensternissen die omspannen worden door een grote nis in de vorm van een ingezwenkte spitsboog. Dat is kenmerkend voor gotische gevels van het Brugse type (Vermeulen, 1954).
 
 
 
Gotische gevel in Brugge, Oude Burg 19. Bewonder het vakmanschap van de metselaar die de gebogen lijnen heeft gemetseld, als waren ze gebeeldhouwd (Bron: Belgiumview ).
 
 
 
Dordrecht op de Sint-Elisabethpanelen (detail) van de Meester van Rhenen (?), ca. 1500.


Hieronder twee uitsneden uit "Christus en de Samaritaanse vrouw" uit 1518-1520, met een stadsgezicht van Breda.  Historiek: "Wat dit panorama bijzonder maakt is dat vrijwel alles tot in details naar de toenmalige werkelijkheid is afgebeeld. Archeologische en bouwhistorische gegevens komen overeen met wat het schilderij laat zien. Als natuurgetrouw gezicht van een stad is dit Bredase panorama het oudste dat nu bekend is in de schilderkunst van Nederland. Maker onbekend."


Breda 1518

Uitsnede uit stadsgezicht Breda, 1518-1520 (linker deel)



Breda 1518

Uitsnede uit stadsgezicht Breda, 1518-1520 (rechter deel)


 
 
Paneel uit de serie "De zeven werken van barmhartigheid" door de Meester van Alkmaar, 1504.
 

Trapgevels op schilderijen van de Vlaamse Primitieven
Hieronder worden architectonische details getoond uit een aantal schilderijen van een groep 15e eeuwse schilders die bekend staat onder de naam 'Vlaamse Primitieven'. De schilderijen hebben doorgaans een religieuze voorstelling als onderwerp. Via de 'links' aan het eind van de site kunnen de complete werken worden gevonden. Bij wijze van voorbeeld is hier een schilderij uit 1420-1425 van de Meester van Flémalle, Robert Campin uit Doornik. Het derde detailbeeld hieronder laat de linker bovenhoek van dit werk zien.

Opvallend is, dat de trapgevels op deze schilderijen niet het kenmerkende beeld laten zien van de gotische trapgevel, met vensternissen in de vorm van spitsbogen en pinakels op de treden.

 
 

Klik op de onderstaande afbeeldingen om vergrotingen ervan te zien. Dat is zeer de moeite waard!
 


       Robert Campin, 1425                                   Robert Campin, 1427                              Robert Campin, 1425
 


 Rogier van der Weyden, 1435 (?)           Rogier van der Weyden, 1435 (?)              Rogier van der Weyden, 1445
 


   Rogier van der Weyden, 1445              Rogier van der Weyden, 1445             Rogier van der Weyden, 1455
 


           Dirk Bouts, 1445                                   Petrus Christus, 1449                       Hugo van der Goes, 1470
 


  Hans Memling, 1470-1471                         Hans Memling, 1475                              Hans Memling, 1474-1479
 


          Hans Memling, 1489                               Hans Memling, 1489                                 Gerard David, 1490
 

De trapgevel en de levenstrap
Het thema van de Levenstrap of  Trap des Ouderdoms is sinds de 16e eeuw bekend en was tot aan het begin van de 20e eeuw over heel Europa verspreid. Tot die tijd hing de levenstrap in ons land in heel wat woningen van boeren en kleine burgers aan de muur (Hazelzet, 1994). Ongetwijfeld deed de op- en neergaande trap van de trapgevel de burgers in de 17e eeuw denken aan "Des menschen op en nedergangh" en heeft dit bijgedragen aan de geweldige populariteit van de trapgevel in de 17e eeuw. De Levenstrap wordt vaak afgebeeld als een deel van een trapgevel (zie de afbeeldingen hieronder). In de periode 1600-1650 werden vrijwel uitsluitend huizen met trapgevels gebouwd. Onze steden stonden er vol mee. Dat waren ook de hoogtijdagen van de zgn. genreschilderkunst. De genrestukjes zaten vol met symbolische betekenissen en wijze lessen, waarvan de belangrijkste wel was: gedenk te sterven. Ze waren erg populair en hingen in die tijd in vele huizen aan de muur, tot lering en vermaak (Fuchs, 2003). De genrestukjes zouden erop duiden, dat de 17e eeuwse mens gewend was om te denken in metaforen en symbolen met een sterk moraliserende inhoud.

De trapgevel bestaat al langer dan de levenstrap. De voorstelling van de levensloop van de mens door een op- en neergaande trap zou zijn ingevoerd in de 15e eeuw, maar de oudst bekende afbeelding van de levenstrap dateert uit 1540 (Jörg Breu der Jüngere). De oudst bekende Nederlandse levenstrap is de houtsnede van Cornelis Anthonisz. uit omstreeks 1550. Een bezoeker van de site wees erop, dat het dus ook denkbaar en zelfs waarschijnlijker is, dat niet de levenstrap als inspiratie voor de trapgevel heeft gediend, maar dat omgekeerd de trapgevel heeft gediend als inspiratie voor de weergave van de levensfasen van de mens door een op- en neergaande trap. In deze gedachte past dat de levenstrap vaak wordt afgebeeld als een stenen trap voorzien van horizontale dekstenen op de treden, precies zoals dat bij de trapgevel het geval is. Zie de afbeeldingen hieronder. De trapgevel en de levenstrap kunnen elkaar ook over en weer hebben geïnspireerd in de 17e eeuw.


levenstrap
De Levenstrap van de vrouw, gravure uit de 17e eeuw door Pieter Jan Entrop (Uit: Hazelzet, 1994).



levenstrap



levenstrap



Enkele citaten uit het boek "Schilderen in Nederland" van Fuchs (2003):
"Een zeventiende-eeuwer bekeek de natuur op een moralistische manier, binnen een referentiekader van morele waarden." (p. 59)
"De aanwezigheid van zo'n motief (De mens is als een zeepbel), dat de ijdelheid van het najagen van wereldse genoegens symboliseert, verandert natuurlijk de hele betekenis van het schilderij (Jan Steen, Het leven van de mens, 1665). Mogelijk vormen schilderijen als dit een aanwijzing voor hoe de mensen in de zeventiende eeuw de werkelijkheid beleefden." (p. 64)
"In de zeventiende eeuw en daarvóór had de schilderkunst geen andere keus dan moralistisch te zijn." (p. 132)
" ...... omdat een zeventiende-eeuws schilderij zonder een specifieke moralistische inhoud zelden voorkomt." (p. 137)
"De allegorische betekenis van een bloemstuk van Bosschaert was ijdelheid en vergankelijkheid. Dat is in beginsel de betekenis van elk stilleven uit de zeventiende of de eerste helft van de achttiende eeuw." (pp. 145-146)
" ...... het overstelpende bewijsmateriaal voor de moralisering van de werkelijkheid in de genreschilderkunst." (pp. 164-165)

Hebben we bij de boven getoonde architectonische details op de vijftiende eeuwse schilderijen van de Vlaamse Primitieven misschien te maken met een geval van 'disguised symbolism', zoals bedoeld door Erwin Panofsky?

"Het onderzoek naar de Vlaamse Primitieven sloeg na de tweede wereldoorlog echter nieuwe wegen in. Een belangrijke mijlpaal was het omvangrijke werk "Early Netherlandish painting" van de Duits-Amerikaanse kunsthistoricus Erwin Panofsky uit 1953. Dat Panofsky, één van de allergrootste namen uit de kunstgeschiedenis van de 20e-eeuw, zich aan een werk over de Vroegnederlandse schilderkunst waagde bewijst ten volle dat dit onderzoeksveld ten laatste vanaf het midden van de 20e eeuw een centrale plaats inneemt binnen het internationale academische onderzoek naar de westerse kunstgeschiedenis. In het werk van Panofsky staat niet zozeer de toeschrijvingsproblematiek centraal dan wel de kunsthistorische en culturele betekenis van de Vroegnederlandse schilderkunst uit de 15de-eeuw. Panofsky behandelt meer inhoudelijke problemen; wat stellen deze schilderijen voor, wat is hun betekenis en wat is de herkomst van de gehanteerde beeldtaal? Teneinde antwoorden op dergelijke vragen te formuleren hanteert Panofsky vooral een iconologische methode. Hij analyseert de betekenis van hetgeen wordt afgebeeld en plaatst dit in een breed cultuurhistorisch kader. Panofsky tracht te peilen naar de mentaliteit die de mogelijkheidvoorwaarden voor dergelijke "realistische" schilderijen schiep. Vaak brengt hij voorstellingen in verband met 15de-eeuwse religieuze teksten, gebruiken en gebeurtenissen. Panofsky was ook grotendeels verantwoordelijk voor de introductie van het begrip "disguised symbolism", dat vaak later door minder getalenteerde onderzoekers is misbruikt en heeft geleid tot een acute overinterpretatie van sommige werken (met name van het Arnolfini huwelijksportret). Met deze term verwees Panofsky naar de vele "verborgen symbolen" die in de ogenschijnlijk alledaagse werkelijkheid van de realistische en gedetailleerde schilderijen van Vlaamse primitieven "verborgen" zitten, maar die waarschijnlijk door geletterde en onderlegde tijdgenoten wel degelijk werden begrepen." (Citaat uit Wikipedia - Vlaamse Primitieven ).

Sluiter wijst erop, dat we voorzichtig moeten zijn met de genreschilderijen, en niet overal symbolen in moeten zien. Zie  ook:
Reindert L. Falkenburg, Iconologie en historische antropologie: een toenadering.

De mogelijke samenhang tussen de trapgevel en de levenstrap als uitingen van het levensgevoel van de zeventiende eeuwer wordt nergens genoemd in de kunsthistorische literatuur en wordt hier gepresenteerd als een originele hypothese.

Purmerend, 21 november 2004

Gegevens van de getoonde schilderijen van Vlaamse meesters

- Campin_1; The Virgin and Child before a Firescreen (detail); 1430; Oil on wood; National Gallery, London
- Campin_2; Mérode Altarpiece (right wing); c. 1427; Oil on wood, 64,5 x 27,3 cm; Metropolitan Museum of Art, New York
- Campin_3; The Nativity (detail); 1425; Panel; Musée des Beaux-Arts, Dijon
- Dirk Bouts_1; The Visitation; c. 1445; Oil on wood, 80 x 56 cm; Museo del Prado, Madrid
- Gerard David_1; Mary and Child (detail); 1490; Oil on wood; Staatliche Museen, Berlin
- Hans Memling_2; Scenes from the Passion of Christ (detail); 1470-71; Oil on oak panel; Galleria Sabauda, Turin
- Hans Memling_3; The Martyrdom of St Sebastian; c. 1475; Oil on wood, 67,4 x 67,7 cm; Musées Royaux des Beaux-Arts, Brussels
- Hans Memling_5; St John Altarpiece (detail); 1474-79; Oil on oak panel; Memlingmuseum, Sint-Janshospitaal, Bruges
- Hans Memling_7; St Ursula Shrine: Arrival in Cologne (scene 1); 1489; Oil on panel, 35 x 25,3 cm; Memlingmuseum, Sint-Janshospitaal, Bruges
- Hans Memling_8; St Ursula Shrine: Arrival in Basle (scene 2); 1489; Oil on panel, 35 x 25,3 cm; Memlingmuseum, Sint-Janshospitaal, Bruges
- Hugo van der Goes_1; Monforte Altarpiece (detail); c. 1470; Oil on wood, 150 x 247 cm; Staatliche Museen, Berlin
- Petrus Christus_1; St Eligius in His Workshop (detail); 1449; Oil on wood, 98 x 85 cm (whole painting); Metropolitan Museum of Art, New York
- Rogier van der Weyden_3; St Luke Drawing a Portrait of the Madonna (detail); 1435 (?); Oil on canvas transferred from wood; The Hermitage, St. Petersburg
- Rogier van der Weyden_4; St Luke Drawing a Portrait of the Madonna (detail); 1435 (?); Oil on canvas transferred from wood; The Hermitage, St. Petersburg
- Rogier van der Weyden_7; Crucifixion Triptych (detail); c. 1445; Oil on oak panel; Kunsthistorisches Museum, Vienna
- Rogier van der Weyden_8; Pierre Bladelin Triptych (detail) Middelburg Altarpiece; 1445-50; Oil on wood; Staatliche Museen, Berlin
- Rogier van der Weyden_9; St Columba Altarpiece (detail); c. 1455; Oil on oak panel; Alte Pinakothek, Munich
- Rogier van der Weyden_11; Visitation; c. 1445; Oil on oak panel, 57 x 36 cm; Museum der Bildenden Künste, Leipzig

Links naar sites met 15e eeuwse Nederlandse en Vlaamse schilderijen
De volledige werken van de Vlaamse meesters zijn te vinden op de site noordelijke 15e eeuw en via de 'links' hieronder.
 http://witcombe.sbc.edu/ARTHLinks2.html#Northern15
 http://www.artcyclopedia.com/history/northern-renaissance.html
 http://www.abcgallery.com/movemind.html#Northern
 http://www.artcyclopedia.com/nationalities/Dutch.html
 http://www.artcyclopedia.com/nationalities/Flemish.html
 http://www.vada.nl/artist15.htm
 http://gallery.euroweb.hu/tours/lowcount/p_15th.html
 http://www.kfki.hu/~arthp/tours/lowcount/index.html
 http://www.kfki.hu/~arthp/tours/flemish/index.html

Adressen van Romaanse en Gotische huizen met trapgevel in Nederland
Amersfoort, Groenmarkt 9
Delft, Koornmarkt 81
Delft, Wijnhaven 16
Deventer, Brink 69
Dordrecht, Nieuwstraat
Doesburg, Meipoortstraat 59
Edam, Dam
Enkhuizen, Westerstraat 76
Goes, Turfkade 11
Harderwijk, Donkerstraat 26
Kampen, Oudestraat 158
Ohé en Laak, Hasselholt
Zierikzee, Meelstraat 1
Zutphen, Waalstraat
Zutphen, Zaadmarkt
Zwolle, Melkmarkt 10
(Aanvullingen en correcties op dit lijstje en foto's van de panden zijn van harte welkom.)

Literatuur
    Binney, M., 1999. Huizen in steden. Ontwikkeling en vernieuwing in 800 jaar stedelijke woningbouw. Uitgeverij Atrium, 176 pp.
    Blijdenstijn, R. en Stenvert, R., 2000. Bouwstijlen in Nederland 1040-1940. Uitgeverij SUN, Nijmegen, 176 pp.
    Denslagen, W., 2004. Romantisch modernisme. Nostalgie in de monumentenzorg. SUN, Amsterdam, 255 pp.
    Fuchs, R., 2003. Schilderen in Nederland. De geschiedenis van 1000 jaar kunst. Prometheus, Amsterdam,291 pp.
    Hazelzet, K., 1994. Het leven in weinig woorden. Westfriese tradities rond de levenstrap. Aflevering 13, Stichting Vrienden van het Westfries Museum, Hoorn, 20 pp.
    Janse, H., 1993. Amsterdam gebouwd op palen. De Brink, Uitgeverij Ploegsma, Amsterdam, 95 pp.
    Kleijn, K., Smit, J. en Thunissen, C., 2004. Nederlandse bouwkunst. Een geschiedenis van tien eeuwen architectuur. Atrium, Alphen aan den Rijn, Vierde druk, 304 pp.
    Meischke, R., Zantkuijl, H.J., Raue, W. en Rosenberg, P.T.E.E., 2002. Huizen in Nederland. Friesland en Noord-Holland. Architectuurhistorische verkenningen aan de hand van het bezit van de Vereniging Hendrick de Keyser. Waanders Uitgevers, Zwolle, 336 pp.
    Smaal, A.P. (redactie), 1979. Kijken naar monumenten in Nederland. Bosch en Keuning, Baarn, 144 pp.
    Stenchlak, M., 2003. Architectuurgids van Nederland. Een overzicht van de meest markante bouwwerken, hun ontstaansgeschiedenis, bouwperiode en -stijlen. Derde herziene en vermeerderde druk. Atrium, Uitgeverij Elmar, 247 pp.
    Vermeulen, F.A.J., 1954 (?). ABC van de bouwstijlen in de Nederlanden. Paris, Amsterdam304 pp.