De veenbedekking van West-Friesland

Frans J.P.M. Kwaad,
fysisch geograaf

E-mail
Home

Deze website bevat een opgave van de wetenschappelijke publicaties over de volgende twee onderwerpen:
    (1) De veenbedekking van West-Friesland in de periode tussen ca. 800 vóór Chr. en ca. 1000 AD.
    (2) De "zwarte laag" in de bovenste 1 meter van de bodem van midden en oostelijk West-Friesland. Klik hier .

Het is niet voor niets dat deze twee onderwerpen hier tesamen worden behandeld. Het vermoeden dringt zich nl. op, dat de zwarte laag in de bovengrond van midden en oostelijk West-Friesland een laatste spoor is van de dikke veenlaag die West-Friesland ooit heeft bedekt. Het minerale bodemmateriaal (klei, zandige klei) dat op de zwarte laag ligt, zou daar dan terecht zijn gekomen in de tijd na het vrijwel volledige verdwijnen van het veendek, en zou kunnen bestaan uit opgebrachte grond en/of uit natuurlijk sediment. Er bestaat echter geen zekerheid over de samenhang tussen het veendek en de zwarte laag. Van Geel et al. (1982/1983) verwerpen de hypothese, dat de zwarte laag een rest is van het veendek. Ook Bakker (2004) doet dat. Van Geel et al. hebben onder de dijk bij Enkhuizen een 5 cm dik zwart laagje aangetroffen onder een 10 cm dikke laag gyttja met daarop een 55 cm dikke veenlaag (een rest van het veendek van West-Friesland). Deze laagopeenvolging sluit uit, dat ter plaatse het zwarte laagje een overblijfsel is van het veendek. Bakker (2004) beschrijft een vergelijkbare zwarte laag onder grafheuvels uit de Midden Bronstijd. Ook dat is niet te rijmen met een ontstaanswijze van de zwarte laag als overblijfsel van het veendek. Het veendek is immers gevormd ná de Bronstijdbewoning van West-Friesland. Een probleem bij de bepaling van de ouderdom en de origine van de zwarte laag is, dat het niet zeker is of het overal in midden en oostelijk West-Friesland waar de zwarte laag wordt waargenomen om dezelfde zwarte laag gaat.

Zie ook de volgende websites van de auteur:
Het NAP-niveau (De stenen van Hudde en de geschiedenis van het Normaal Amsterdams Peil)
Het ontstaan van West-Friesland (geologie, prehistorie, ontginning, bewoningsgeschiedenis)
Het ontstaan van West-Friesland - Literatuur
West-Friesland op oude kaarten
Ontstaan en vroegste geschiedenis van Hoorn
De waterstaatsgeschiedenis van Hoorn
De geschiedenis van de Hoornse riolen volgens P. van Akerlaken
Kroniek van Hoorn door Velius

Hieronder een schema van zes stadia in de ontwikkeling van oostelijk West-Friesland volgens Van Geel, Hallewas en Pals (1982/1983, Figuur 7).Stadium A is het oudste en stadium F het jongste stadium. De dikke zwarte lijn bovenin de gestippelde laag is de "zwarte laag".




Bron: Figuur 7 in Geel, B. van, Hallewas, D.P. and Pals, J.P., 1982/1983. A Late Holocene deposit under the Westfriese Zeedijk near Enkhuizen (Prov. of Noord-Holland, the Netherlands): palaeoecological and archaeological aspects. Review of Palaeobotany and Palynology, 38, pp. 269-335.

Zie ook Van Geel voor de volledige tekst van het recente artikel "De klimaatcrisis van 850 v. Chr." (Bron, met toestemming: Jaarboek van het Westfries Genootschap, nr.77, 2010, pp. 88-101).

Aanwijzingen en argumenten voor de veenbedeking van West-Friesland
In 1958 verscheen de eerste publicatie over een vroegere veenbedekking van West-Friesland (Edelman, 1958). Aanvankelijk werd deze zienswijze nogal sceptisch ontvangen, maar geleidelijk groeide het bewijsmateriaal, en tegenwoordig wordt door aardwetenschappers, historisch geografen, archeologen en historici algemeen aanvaard, dat  West-Friesland inderdaad bedekt was met een dik pakket hoogveen in de tijd rond 800 à 1000 AD toen het gebied werd ontgonnen. Ter illustratie zijn hier enkele citaten uit de literatuur.
Van de Ven (1993) schrijft in 'Leefbaar Laagland' op. 37:
"Het veenlandschap tussen de kust en de zandgronden vormde geen homogeen geheel. Het overgrote deel bestond uit veenmosveen. In de strook achter de kust lagen koepelvormige veenkussens met een radiaal afwateringspatroon. De veenkoepels hadden een doorsnede van 10 tot 15 km en een oppervlakte van 10.000-15.000 ha. Zij bereikten in het centrum een hoogte van 3 tot 4 m +NAP. Meer landinwaarts waren de veenkoepels minder hoog, omdat ze als gevolg van de slappe ondergrond wegzakten, en bereikten ze een hoogte van 1 m +NAP."
Van de Ven verwijst hierbij naar een artikel van Pons in het boek van Verhoeven (Fens and bogs in the Netherlands, 1992).

In het recente standaardwerk over de geologie van Nederland ("De ondergrond van Nederland", 2003) staat op p. 227:
"Zo ontstaan aan de landzijde van de strandwallen uitgestrekte 'veenkussens' in de kustvlakte. Deze kunnen hier uiteindelijk tot tien meter dik worden en hoog boven het omringende landschap en het gemiddeld zeeniveau uitsteken. .... Een groot deel van ons land raakte gedurende lange tijd met veen bedekt."

Het oppervlak van het veen lag naar alle waarschijnlijkheid 3 à 4 meter boven zeeniveau. Door de hoge ligging van het veen werd het gebied gevrijwaard voor overstroming door de zee, en kon men zonder beschermende dijken het gebied ontginnen en er wonen en werken. Door de ontwatering van het veen trad echter inklinking van het veen op. Bovendien werd het veen door de agrarische bewerking van de grond intensief in contact gebracht met de lucht. Hierdoor oxideerde (verteerde) het veen. Door de inklinking en vertering begon het veenoppervlak in vrij snel tempo te dalen. In de 13e eeuw was het veenoppervlak gedaald tot iets boven zeeniveau en begonnen overstromingen door de zee (Almere) op te treden. Toen begon men dijken te bouwen. Dit resulteerde in de Westfriese Omringdijk die omstreeks 1250 AD werd gesloten. Achter de dijk ging de maaiveldsdaling gewoon door, vanaf ca. 1500 in versterkte mate door de invoering van windbemaling voor de ontwatering van het gebied. In de 16e eeuw was al het veen volledig verdwenen uit West-Friesland en kwam de Westfriese zeeklei tevoorschijn van onder het veen.

Het veendek van West-Friesland maakte deel uit van een veel groter hoogveengebied dat zich uitstrekte over heel Noord en Zuid-Holland, de westelijke Waddenzee en het Zuiderzeegebied. De groei van het oppervlakteveen is in West-Friesland begonnen omstreeks 800 vóór Chr. In de daaraan voorafgaande periode (1350 tot 800 vóór Chr.) werd oostelijk West-Friesland vrij dicht bewoond door de mensen van de Midden en Late Bronstijd. Nog weer eerder werd de Westfriese zeeklei gevormd in een wadachtig gebied, doorsneden door getijgeulen. Die getijgeulen zijn omstreeks 1350 vóór Chr. door de zee opgevuld met zand en verland. Ze lopen nu als lage ruggen door het Westfriese land.

Op de bovenstaande foto links is de archeologische opgraving op de Rode Steen in Hoorn te zien (situatie op 1 mei 2004). De middelste en de rechter foto laten delen van het boorprofiel zien van een boring die is gezet in het diepste deel van de put. De zwarte ophogingslagen liepen nog door tot ca. 50 cm onder de bodem van de put. Daar begon een ca. 40 cm dikke, ongestoorde veenlaag met daaronder de zeeklei van de Duinkerke 0 (Westfriese Afzettingen II). Dat is te zien op de middelste foto. Deze veenlaag, direct onder de bewoningslagen, is op meer plaatsen in Hoorn aangetroffen tijdens opgravingen. Het is een rest van de veenlaag die ooit heel West-Friesland heeft bedekt. De zeeklei van de Duinkerke 0 had ter plaatse een dikte van ca. 2 m. Daaronder lag een dun zwart veenlaagje en daaronder de kenmerkende blauwe klei van de Calais III (Beemsterafzettingen). Dat is te zien op de rechter foto. Voor een beeld van de geologische situatie klik hier . (Opgraving door de Gemeentelijke Archeologische Dienst Hoorn, boring en foto's F. Kwaad)

De aanwijzingen en argumenten voor een vroegere veenbedekking van West-Friesland kunnen als volgt kort worden samengevat:
    - de mogelijkheid om tot ca. 1250 AD het gebied te ontginnen en te bewonen zonder dijken; dit duidt op een relatief hoge ligging van het land t.o.v. zeeniveau. Bewoning en ontginning van West-Friesland was mogelijk zonder bedijking in de periode 800-1250 AD. Het gemiddeld zeeniveau was toen vrijwel gelijk aan het huidige, hoogstens 50 cm lager dan nu. Het bodemoppervlak (maaiveld) moet in die tijd dus hoger hebben gelegen dan 3 m +NAP, d.w.z. boven gemiddeld hoogwater en boven de meest frequente stormvloeden op het Almere/Zuiderzee. Polderwaterpeil 10 cm +NAP worden vermeld in de molenboeken van de Westerkogge, Beschoot en Beetskoog voor 1500, dalend tot >3m -NAP in 1975 (tabel II, p. 74 in Borger, 1975). Borger komt tot een maaiveldsligging van 70 à 80 cm +NAP omstreeks 1350 AD rond de Baarsdorpermeer, thans 2.80 à 3.00 m -NAP.
    - de aanwezigheid heden-ten-dage van veen aan de oppervlakte in een klein deel van West-Friesland, met name in een klein gebiedje ten westen van Hoorn, dat behoort tot de Veenhoop. De Veenhoop is grondig bestudeerd door de historisch-geograaf Borger en wordt gedetailleerd beschreven in diens proefschrift uit 1975. We moeten wél bedenken, dat de Westfriese Afzettingen II niét voorkomen in de Veenhoop. Aanwijzingen voor veengroei in dit gebied hebben dus geen directe bewijskracht m.b.t. de aanwezigheid van een veendek op de Westfriese Afzettingen II in het midden en oosten van  West-Friesland.
    - de aanwezigheid van samengeperst veen onder gebouwen en bouwwerken (kerken, boerderijen, gemeentehuizen e.d.); dus niet het veen dat eventueel als ophogingsmateriaal is gebruikt (verhoogde hemen, terpen), hoewel dat natuurlijk ook wijst op de aanwezigheid van veen in de naaste omgeving
    - de aanwezigheid van samengeperst veen onder dijklichamen; de oudste dijken bestaan zelf ook uit opgeworpen veengrond
    - het voorkomen van zgn. 'daliegaten', waaruit kalkrijke klei werd gewonnen om over de zure veengrond uit te spreiden
    - akkerbouw in de 12e-13e eeuw in West-Friesland; dit vereiste relatief hooggelegen en droge grond; vanaf de 14e eeuw moest de akkerbouw worden opgegeven vanwege de daling van het veenoppervlak en ging men over op veehouderij
    - een verkavelingspatroon dat kenmerkend is voor veenontginningsgebieden (opstrekkende verkaveling)
    - veel plaatsnamen met het bestanddeel 'woud' of  'broek'
    - de aanwezigheid van vroegere veenstroompjes in het gebied
    - historische bronnen, waarin wordt gesproken over veenland
    - berichten over moernering of daringdelven t.b.v. de zoutwinning uit veen; in westelijk West-Friesland komen veel asplekken voor die hiermee samenhangen (Komen, 2002)
    - het ontbreken van zgn. mariene afzettingen (zeeklei) jonger dan 1000 v. Chr. in oostelijk West-Friesland; door veengroei was het gebied boven de zeespiegel komen te liggen; het gebied lag echter sowieso al relatief hoog na de vorming van de Westfriese Afzettingen II, de zandbanen tot 0.1 m -NAP en de kleirijkere gronden oorspronkelijk nog hoger.

Het voorgaande betreft vooral oostelijk en midden West-Friesland. Beenakker (1988) heeft aangetoond, dat ook het westelijk deel van West-Friesland onder een aaneengesloten veendek heeft gelegen. De aanwijzingen voor een vroegere veenbedekking zijn deels plaatselijk en worden deels aangetroffen in het deel van West-Friesland buiten het verbreidingsgebied van de Westfriese Afzettingen II. Bij elkaar genomen zijn de aanwijzingen en argumenten overtuigend. Toch blijft het verbazen, dat in historische bronnen zo weinig is overgeleverd van het bestaan van een dik en uitgestrekt pakket veen in West-Friesland, en dat dit pas de afgelopen veertig jaar vrij moeizaam aan het licht is gebracht.

Een open vraag is, tot wanneer er resten van het veendek aanwezig zijn geweest in West-Friesland binnen het verbreidingsgebied van de Westfriese Afzettingen. Voor de Veenhoop, ten westen van Hoorn, is dat wel duidelijk: tot op de dag van vandaag. Maar dat deel van West-Friesland ligt, zoals boven al gezegd, buiten het verbreidingsgebied van de Westfriese Afzettingen II. Wanneer is het laatste veen in de rest van West-Friesland verdwenen? Al vóór de aanleg van de Westfriese Omringdijk of pas (veel) later? Borger (1975) en Beenakker (1988) zijn van mening: later.

Hoe is het mogelijk dat hoogveen, dat voor 90% uit water bestaat, voorzichtig begaanbaar is? We lopen op een verende mat of vlechtwerk van veenmosplantjes en de wortels daarvan. De draagkracht daarvan is gering (0-40 KPa). Op de site Moor is daarover te lezen:
"Das Kapillarsystem der Torfmoose ist in der Lage, Wasser zu speichern. So können Moore, allein vom Niederschlag feucht gehalten, bis zu einer Mächtigkeit von zehn Metern über den Wasserspiegel anwachsen. Man spricht dann von Hochmooren. Die obersten Torfschichten in diesen wachsenden Mooren sind im spezifischen Gewicht und im Wassergehalt der Milch vergleichbar - und deswegen mit schwerem Gerät unwegsam. Daß man dennoch auf schwankendem Grund auf Torfen mit 95 Prozent Wassergehalt wandeln kann, ist dem Wurzel- und Rhizomgeflecht der Pflanzen zu verdanken. Dadurch werden sie - im Gegensatz zur Milch - gangbar, nicht wirklich überall und für jeden, jedoch zumindest für Kundige im allgemeinen problemarm."

Dr. S. van der Schaaf (veenonderzoeker) zegt over de begaanbaarheid van levend hoogveen het volgende (persoonlijke mededeling, 7-9-07):
"Het lopen op levend hoogveen is niet zo lastig als sommigen denken en sommige boeken en verhalen willen doen geloven.
Ik loop op gewone kaplaarzen praktisch ieder (levend) hoogveen over. Je moet natuurlijk wel weten waar je je voeten zet, maar op veenmosbulten, horsten van eenarig wollegras en stukjes met struikhei kun je altijd staan, als je dat staan op eenzelfde punt maar niet al te lang volhoudt (om de gedachten te bepalen: 10 minuten is zelden een probleem). In poelen, slenken e.d. moet je natuurlijk niet gaan staan. Wijlen Prof. Marina S. Botch uit St. Petersburg gaf af en toe Russische soldaten les hoe ze zich op een hoogveen moesten verplaatsen."

De verdwijning van het veen
We weten niet precies, hoe hoog het veen oorspronkelijk heeft gelegen, maar rond 1250 AD was het oppervlak van het veendek van West-Friesland gedaald tot iets boven hoogwater op de Zuiderzee, zodat een gesloten dijk om West-Friesland nodig werd. Volgens De Mulder et al. (De Ondergrond van Nederland, 2003, p. 227) stak het veen in de kustvlakten bij het begin van de ontginningen nog ongeveer drie meter boven zeeniveau uit. Dat het veen drie meter boven zeenivau lag, wil absoluut niet zeggen dat het droog land was. Het "land" bestond eigenlijk grotendeels uit water. Het water werd door het veenmos (sphagnum) boven zeeniveau vastgehouden. Het hoogveen was dus practisch onbegaanbaar en onbruikbaar. Alleen door drainage en ontwatering kon het geschikt worden gemaakt voor landbouw en veehouderij. De ontwatering bracht onafwendbaar de verdwijning van het veen met zich mee. Hoe is de verdwijning van het veen in zijn werk gegaan? Twee processen hebben daarbij een rol gespeeld:
(a) het in elkaar zakken van het veen door drainage en ontwatering; bedenk dat veen voor 90% uit water bestaat,
(b) het vergaan van het ontwaterde deel van het veen door oxidatie tengevolge van de blootstelling van het veen aan de lucht.
Hoe dieper men veen ontwatert, hoe dikker de laag die uitdroogt en hoe sneller het maaiveld daalt. Dat is vandaag de dag nog steeds het geval in de veenweidegebieden van Noord-Holland. In de eeuwen tot het begin van de molenbemaling (rond 1500) kon men het veen niet dieper ontwateren dan tot iets boven gemiddeld laagwater op de Zuiderzee, omdat men afhankelijk was van een natuurlijke waterlozing bij eb op de Zuiderzee. Met de komst van de windmolen kon met het land ontwateren tot beneden zeeniveau.

Van der Schaaf (1999, pp. 21-23) presenteert gegevens, waaruit blijkt dat de maaiveldsdaling door drainage van veen aanvankelijk snel verloopt en vervolgens langzamer verder gaat. Een aanvankelijke daling van 0.5 tot meer dan 1 m in 10 jaar is waargenomen in dikke veenpakketten. In Duitsland zijn maaiveldsdalingen in de eerste fase van ontwatering waargenomen van een kwart tot een derde van de oorspronkelijke veendikte. Deze snelle aanvankelijke daling wordt toegeschreven aan het inzakken of krimpen van het veen dat oorspronkelijk verzadigd was met water. Van der Schaaf (1999, p. 23) concludeert "that the subsidence of bogs as a result of drainage can be a relatively fast process. It may amount to a relatively large proportion of the original peat thickness. Subsidence may therefore considerably change the cross section of the bog surface in one or two decades." (Van der Schaaf, S., 1999. "Analysis of the hydrology of raised bogs in the Irish Midlands. A case study of Raheenmore Bog and Clara Bog". Proefschrift Wageningen, 375 pp.). Van der Schaaf (persoonlijke mededeling, 7-9-07) zegt verder:
"De compactering die het gevolg is van ontwatering werkt over het hele veenprofiel door, hoewel het meest in het bovenste deel (zie bv. Uhden, O., 1960. Das Grosse Moor bei Ostenholz. Schriftenreihe des Kuratoriums für Kulturbauwesen. Heft 9. 159 pp. & appendices. Verlag Wasser und Boden, Hamburg). Punt bij oppervlakkige ontwatering is ook dat de ontwateringsbasis met het veenoppervlak meezakt en de uiteindelijke zetting daardoor groter kan zijn (en meestal is) dan de gecreëerde ontwateringsdiepte."

Bekend is ook de maaiveldsdaling van 4 m sinds 1851 door drainage van een 6,70 m dik veenpakket bij de  Holme Post in Engeland. Ook hier een snel begin van de bodemdaling. Deze bedroeg 2 m in de eerste 10 jaar na het begin van de drainage. Door een eerste verlaging van de waterstand met 2,80 m trad een maaiveldsdaling van 1,80 m op, ofwel een bedrag gelijk aan 65% van de verlaging van de waterstand.

De site peat soils geeft meer uitleg en informatie over de processen en de snelheid van maaiveldsdaling ('subsidence') van veen door drainage:

Subsidence rate
Worldwide subsidence rates vary from less than 1 to more than 8 cm per year. Whereas some peats in the Netherlands have subsided by only 2 m in about 1 000 years, peat in the Everglades (Florida) has subsided by 1.8 m in only 54 years (1924-1978). The organic soils of the Sacramento-San Joaquin delta of California subsided by 1.8 to 2 m in less than 30 years. Records on peat subsidence in South East Asia (lowland oligotrophic coastal peats) indicate 50 cm to 1 m in the initial years after reclamation with a subsequent decrease to less than 6 cm per year. Table 21 ( see website ) gives the reported rates of subsidence for sites worldwide.
It is clear that there is a vast range in the rate of subsidence dependent on peat composition, drainage depth and history of reclamation. Figure 19 ( see website ) illustrates how in the Netherlands subsidence rate was influenced by a change from gravity drainage to pumping once the peat surface fell below the mean sea level. Energy initially supplied by windmills, followed by the use of steam pumps made it possible to keep the swamps dry. The rate of peat subsidence in the Netherlands was small compared with rates experienced elsewhere mainly because the depth of drainage was maintained through the centuries at only 20-50 cm for mainly pasture use. However with deeper and improved drainage (water-table control throughout the year) the yearly subsidence rate of 1.7 mm was accelerated to 6 mm. Field experiments indicate that a 40 cm draw down of the level in ditches over a period of 20 years resulted in a total surface subsidence of 23 cm. In the first two years the subsidence proceeded very rapidly, constituting 44 per cent of the total for the 20 year period, subsequently the subsidence rate decreased to a constant 7 mm per year. This initial rapid subsidence upon provision of drainage is noted in most countries.

Consolidation and shrinkage
Peatland subsides after drainage not only because of a loss in organic matter but also because of a loss in volume. Schothorst (1977) recognizes the following components in subsidence:
i. shrinkage due to physical processes. The withdrawal of moisture from the surface layers by evapotranspiration may cause high moisture tensions in the root zone resulting in a decrease in volume of those layers (above the phreatic surface).
ii. Oxidation through biochemical processes as explained above.
iii. Consolidation or compression due to a mechanical process. When the groundwater level is lowered, the buoyant force of water is lost in the upper layers. The deeper layers then have to bear an increased weight of 1 g per cm2 per cm of draw down of the groundwater-table. This causes compression by the soil layers below the phreatic surface. Consolidation is often divided into a primary phase and a secular phase. The former is largely a function of the rate of water escape from and through the peat mass. This can be very high in the initial phases of drainage because of the high permeability of raw peat. When permeability decreases as a result of consolidation the primary hydrodynamic phase becomes almost constant. Secular consolidation continues long after the primary phase has stopped to play its initial important role and may in the end account for half the total loss in volume. It was previously generally assumed in the Netherlands that the decreasing volume of peat above the water-table was controlled more by shrinkage and compression than by oxidation. This was the case because of the ubiquitous grass cover. Schothorst, however, found that 20 percent of the subsidence could be ascribed to irreversible shrinkage, 28 percent to compression (subject to elastic rebound and recovery) and 52 percent to oxidation. These results are in agreement with the general findings elsewhere that oxidation is the main cause for soil subsidence. It is important to note that compression and irreversible shrinkage will gradually decrease from an initial peak but that oxidation of organic materials will continue at a more or less constant rate until a new lowering of the water levels in ditches is necessary. This corroborates previously mentioned findings in tropical countries.

Tot zover de site  peat soils .

Literatuur over de veenbedekking van West-Friesland
Beenakker, J., 1988. Van Rentersluze tot strijkmolen. De waterstaatsgeschiedenis en landschapsontwikkeling van de Schager- en Niedorperkoggen tot 1653. Repro Holland bv, Alphen aan den Rijn, 229 pp.

Besteman, J.C., 1988. The history of medieval settlement in North Holland and the reclamation of the peat areas in archaeological perspective. In: Murphy, P. and French, C. (editors), The exploitation of wetlands. Symposia of the Association for Environmental Archaeology No. 7. BAR British Series 186, pp. 327-368.

Besteman, J.C., 1994. Noord-Holland op de schop. Bewoning en landschap in de Middeleeuwen. In: Rappol, M. en Soonius, C.M. (redactie). In de bodem van Noord-Holland. Lingua Terrae, Amsterdam, pp. 219-247.

Besteman, J.C. en Guiran, A.J., 1983. Het middeleeuws-archeologsich onderzoek in Assendelft, een vroege veenontginning in middeleeuws Kennemerland. Westerheem, 32, Nr. 2/3. Ook in: De Zaanstreek archeologische bekeken, pp. 96-128.

Besteman, J.C. en Guiran, A.J., 1986. De middeleeuwse bewoningsgeschidenis van Noord-Holland boven het IJ en de ontginning van de veengebieden. Opgravingen in Assendelft in perspectief. In: Trierum, M.C. van, and Henkes, H.E. (redactie) Rotterdam Papers V, A contribution to prehistoric, roman and medieval archaeology, pp. 183-212.

Besteman, J.C., Hallewas, D.P., Regteren Altena, J.F. van en Woltering, P.J., 1994. Archeologische Kaart van Nederland 1:100.000, Blad Hollands Noorderkwartier. ROB Amersfoort.

Borger, G.J., 1975. De Veenhoop. Een historisch-geografisch onderzoek naar het verdwijnen van het veendek in een deel van West-Friesland. Buijten en Schipperheijn, Repro Holland Amsterdam, 242 pp.

Borger, G.J., 1976. Ontwatering en grondgebruik in de Middeleeuwse veenontginningen in Nederland. Geografisch Tijdschrift, Nieuwe Reeks 10, nr. 5, pp. 343-353.

Borger, G.J., 1977. De ontwatering van het veen: een hoofdlijn in de historische nederzettingsgeografie van Nederland. Geografisch Tijdschrift, Nieuwe Reeks 11, nr. 5, pp. 377-387.

Borger, G.J. en Bruines, S. ,1994. Binnewaeters gewelt. 450 jaar boezembeheer in Hollands Noorderkwartier. Uitgave Hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Hollands Noorderkwartier, Edam, en Stichting Uitgeverij Noord-Holland, Wormerveer, 176 pp.+ kaart.

Bouwens, A.P., 1985. Midden West-Friesland: waterstaatkundige erfenis uit de Middeleeuwen. WFON, 52, pp. 74-89.

Cock, J.K. de, 1969. Veenontginningen in West-Friesland. West-Friesland's Oud en Nieuw, 36, pp. 154-171.

Danner, H.S., Lambooij, H., Streefkerk, C., 1994. Die water keert. 800 jaar regionale dijkzorg in Hollands Noorderkwartier. Uitgave Hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Hollands Noorderkwartier, Edam, en Stichting Uitgeverij Noord-Holland, Wormerveer, 170 pp.+ bijlage met kaarten.

Dekker, L.W., 1974. Duizend jaar modderen in West-Friesland. WFON, 41, pp. 235-249.

Edelman, T., 1958. Oude ontginningen van de veengebieden in de Nederlandse kuststrook. TESG, Jaargang 49, No. 10/11, pp. 239-245.

Ente, P.J., 1963. Een bodemkartering van het tuinbouwcentrum "De Streek". Verslagen Landbouwkundige Onderzoekingen nr. 68.16. Pudoc, Wageningen, 193 pp.

Geel, B. van, 1994. Veengroei en veenontginning. In: Rappol, M. en Soonius, C.M. (redactie), 1994. In de bodem van Noord-Holland. Geologie en Archeologie. Lingua Terrae, Amsterdam, pp. 141-163.

Geel, B. van en Borger, G.J., 2002. Sporen van grootschalige zoutwinning in de Kop van Noord-Holland. Westerheem, 51, nr. 6, pp. 242-260.

Geel, B. van, Hallewas, D.P. and Pals, J.P., 1982/1983. A Late Holocene deposit under the Westfriese Zeedijk near Enkhuizen (Prov. of Noord-Holland, the Netherlands): palaeoecological and archaeological aspects. Review of Palaeobotany and Palynology, 38, pp. 269-335. (Zie Figuur 7 uit deze publicatie iets verder in deze website.)

Groot, T.A.M. de, 1994. Het veen. In: Rappol, M. en Soonius, C.M. (redactie), 1994. In de bodem van Noord-Holland. Geologie en Archeologie. Lingua Terrae, Amsterdam, pp. 114-116.

Hendrikx, J.A.., 1998. De ontginning van Nederland. Het ontstaan van de agrarische cultuurlandschappen in Nederland. Uitgeverij Matrijs, Utrecht, 200 pp.

Lambooij, H. , 1987. Getekend Land. Nieuwe beelden van Hollands Noorderkwartier. Uitgegeven door het Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier in samenwerking met Stichting Uitgeverij Noord-Holland, Alkmaar, 160 pp.

Lenselink, G. en Koopstra, R., 1994. Ontwikkelingen in het Zuiderzeegebied, van Meer Flevo, via de Almere-lagune, tot Zuiderzee. In: Rappol, M. en Soonius, C.M. (redactie). In de bodem van Noord-Holland. Lingua Terrae, Amsterdam, pp. 129-140.

Ligtendag, W.A., 1985. Midden West-Friesland. Een topografische analyse ten behoeve van de ontginning en waterhuishouding tot 1400. Intern Verslag No. 3, Afdeling Historische Geografie, Universiteit van Amsterdam, 89 pp.

Mourik, J.M. van en Ligtendag, W.A., 1984. Verveningssporen in de restanten van het Westfriese veendek. Geografisch Tijdschrift, Nieuwe Reeks 18, nr. 5, pp. 330-337.

Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E. en Wong, Th.E. (redactie), 2003. De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen, 379 pp.

Pons, L. J., 1992. Holocene peat formation in the lower parts of the Netherlands. In: Verhoeven, J.T.A. (editor), 1992. Fens and bogs in the Netherlands: vegetation, history, nutrient dynamics and conservation. Kluwer Academic Press, Dordrecht, 490 pp.

Pons, L.J. en van Oosten, M.F., 1974. De bodem van Noordholland. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen, 193 pp. + kaarten.

Pons, L.J. en Wiggers, A.J., 1959-1960. De Holocene wordingsgeschiedenis van Noord-Holland en het Zuiderzeegebied. Deel I en II. Tijdschrift Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, 76 (pp. 104-152), 77 (pp. 3-57).

Rappol, M. en Soonius, C.M. (redactie), 1994. In de bodem van Noord-Holland. Geologie en Archeologie. Lingua Terrae, Amsterdam, 285 pp.

Reedijk, F.J., 1992. West-Friesland, voorbeeld van een agrarisch veenlandschap. WFON, 59, pp. 38-43.

Ven, G.P. van de (redactie), 1993. Leefbaar laagland. Geschiedenis van de waterbeheersing en landaanwining in Nederland. Uitgeverij Matrijs, Utrecht, 303 pp.

Verhoeven, J.T.A. (editor), 1992. Fens and bogs in the Netherlands: vegetation, history, nutrient dynamics and conservation. Kluwer Academic Press, Dordrecht, 490 pp.

Vervloet, J.A.J., 1982. Cultuurhistorisch onderzoek ruilverkaveling 'de Gouw'. Rapport nr. 1569. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen.

Vos, P.C., 1983. De relatie tussen de geologische ontwikkeling en de bewoningsgeschiedenis in de Assendelver polders vanaf 1000 vóór Chr. Westerheem, 32, Nr. 2/3. Ook in: De Zaanstreek archeologisch bekeken, pp. 6-32

Wagenaar, K. en Van Wallenburg, C., 1987. Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, Blad 19 Oost, Alkmaar, en Blad 20 West, Lelystad + Toelichting. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen, Kaart + Toelichting (132 pp.)

Westerhoff, W.E., de Mulder, E.F.J. en de Gans, W. , 1987. Toelichting bij de geologische kaart van Nederland 1:50 000. Blad Alkmaar West (19W) en Blad Alkmaar Oost (19O). Rijks Geologische Dienst, Haarlem, 227 pp.

Zagwijn, W.H., 1991. Nederland in het Holoceen. Rijks Geologische Dienst Haarlem, Sdu uitgeverij, 's-Gravenhage, tweede druk, 46 pp.
 

*********************************************************************************************

De zwarte laag in de bovenste 1 m van de bodem in midden en oostelijk West-Friesland

Inleiding
Dit literatuuroverzicht betreft de "zwarte laag" die op veel plaatsen in midden en oostelijk West-Friesland voorkomt in de bovenste meter van de bodem; daarmee samenhangend ook de aard, ouderdom en origine van het materiaal boven de "zwarte laag". Eerst een korte inleiding.

De bovenste 5 m van de bodem in midden en oostelijk West-Friesland bestaat uit een aantal (zandige) kleilagen die van elkaar worden gescheiden door veenlaagjes. Van boven naar beneden kunnen de volgende eenheden worden onderscheiden:
- zandige grijze klei doorsneden door zandbanen (Westfriese Afzettingen II of Duinkerke 0, gevormd tussen 1500 en 1000 v. Chr.)
- zandige grijze klei doorsneden door zandbanen (Westfriese Afzettingen I of Calais IV B, gevormd tussen 2150 en 1800 v. Chr.)
- slappe grijze klei doorgroeid met riet (Wieringermeerafzettingen of Calais IV A, gevormd tussen 2700 en 2450 v. Chr.); deze klei komt alleen voor in de noordelijke helft van midden en oostelijk West-Friesland
- zware blauwe klei (Beemsterafzettingen of Calais III, afgezet tot ca. 2700 v. Chr.)

Deze opeenvolgende sedimentlagen zijn van elkaar gescheiden door veenlaagjes.
Het gebied ten zuidwesten van Hoorn heeft een andere bodemgesteldheid. Daar liggen (thans) de afzettingen van de Calais III-fase (Beemsterafzettingen) aan de oppervlakte.
De afgelopen dertig jaar is aan het licht gekomen, dat er in West-Friesland (evenals in de rest van West-Nederland) een metersdikke veenlaag bovenop het genoemde pakket van sedimentlagen heeft gelegen. Dit veendek is door de ontginning van het land en de daaropvolgende akkerbouw in de periode tussen ca. 800 en ca. 1500 AD volledig verdwenen. Er zijn alleen enkele resten van het veen overgebleven onder oude gebouwen en dijken.

Volledigheidshalve moet worden opgemerkt, dat in 2003 de indeling en benaming van de verschillende geologische formaties die in Nederland voorkomen, door NITG-TNO (de voormalige Rijks Geologische Dienst) ingrijpend is gewijzigd. De bestaande indelingen voldeden niet meer en zijn volledig herzien. Nieuwe namen zijn ingevoerd. De mariene zand- en kleilagen die vroeger als Afzettingen van Calais en Duinkerke werden betiteld, vallen nu onder het Laagpakket van Wormer, een onderdeel van de Formatie van Naaldwijk. De redenen van deze ingrijpende herziening worden uiteengezet in het boek "De ondergrond van Nederland" (2003, onder redactie van de Mulder, Geluk, Ritsema, Westerhoff en Wong).

Zwarte laag
Naast de genoemde, duidelijk herkenbare sedimentlagen komt in de bovenste 1 meter van de bodem in midden en oostelijk West-Friesland op veel plaatsen een zwarte laag voor, waarvan het ontstaan en de ouderdom onduidelijk zijn. De zwarte laag is rijk aan bruin of zwart materiaal van plantaardige of organische oorsprong (rietfragmenten, brokjes houtskoolachtig materiaal, venig materiaal, veraard veen e.d.). De zwarte laag wordt in de bodemkundige literatuur daarom ook wel aangeduid als begroeiingslaag of vegetatiehorizont, hoewel het niet altijd zeker of duidelijk is, of de organische resten afkomstig zijn van: (a) een begroeiing die ter plaatse heeft bestaan, (b) afgezet door stromend water (verslagen veen, detritus), of (c) het product van menselijke ophogingsactiviteiten (slootbagger).

Een vraag die samenhangt met het voorkomen van de zwarte laag, is de vraag naar de aard, de ontstaanswijze en de ouderdom van het minerale bodemmateriaal (zavel en klei) boven de zwarte laag. Is dit een natuurlijk sediment? Zo ja, van welke ouderdom? Of is het misschien opgebrachte grond (baggerdek)? Zo ja, van welke herkomst en hoe oud?

De zwarte laag wordt genoemd in de volgende publicaties:
- Du Burck en Ente, 1954
- Pons en Wiggers, 1960, pp. 34-49
- Kwaad, 1961, pp. 25-26
- Ente, 1963, pp. 9, 16-18, 20-24, 51-63, 146-148
- Du Burck en Dekker, 1968
- Dekker, Wagenaar en Zegers, 1968.
- Van Geel, Hallewas en Pals, 1982/83
- Wagenaar en Van Wallenburg, 1987 (Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, Blad 19 Oost, Alkmaar), pp. 16, 18, 19, 25, 30, 36, 38, 39, 41, 44, 45, 55, 59
- Bakker, 2004, pp. 150-154

Ik ken, met uitzondering van de publicatie van Bakker uit 2004,  geen recente publicaties waarin aandacht wordt besteed aan de zwarte laag. Waarschijnlijk wordt de zwarte laag wel genoemd in interne bodemkundige rapporten die zijn opgesteld in het kader van de diverse ruilverkavelingen die de afgelopen decennia in West-Friesland zijn uitgevoerd. Deze rapporten zijn niet publiek toegankelijk. In de Toelichting (1987) bij de Geologische Kaart 1:50.000, Blad 19, Alkmaar wordt de zwarte laag niet genoemd.

In het vervolg van deze website wordt een samenvatting gegeven van de geologische en bodemkundige literatuur over de zwarte laag in West-Friesland.


VanZijverden_ZwarteLaag

Foto van de zwarte laag, direct onder de bruingrijze bouwvoor en boven de lichtgrijze kleiondergrond. Foto genomen door W. van Zijverden in het kader van opgravingen bij Enkhuizen Kadijken, 2008. De blikken zijn monsterblikken.

Op de site Bronstijd West-Friesland staat een bericht d.d. 13-11-2014 van Wilko van Zijverden over het oppervlak waarop in de Bronstijd geleefd werd in de omgeving van Westwoud: "Dit oppervlak is in de boringen heel herkenbaar als een donkere, bijna zwarte laag." 


Du Burck, P. en Ente, P.J., 1954. De bodemgesteldheid in het tuinbouwgebied van oostelijk West-Friesland. Boor en Spade, VII, pp. 150-158.

In deze studie van Het Grootslag en de gemeente Venhuizen vermelden de auteurs een pikkige laag van ca. 10 cm dik met een humeus karakter en een slechte structuur op de overgang van de teelaarde naar de grijze klei-ondergrond. In een profielschets wordt het laagje ingetekend op een diepte van 30 à 40 cm beneden het maaiveld. In Venhuizen bleek dit laagje over te gaan in een lokaal voorkomend veenlaagje. De auteurs beschouwen het laagje als te zijn ontstaan na een begin van reliëfinversie, omdat het laagje het dikst is in de huidige lage delen en uitwigt tegen de zandige geulruggen.

Pons, L. J. en Wiggers, A.J., 1960. De Holocene wordingsgeschiedenis van Noord-Holland en het Zuiderzeegebied. Tijdschrift Kon. Ned. Aardr. Genootschap, 76 (pp. 104-152) en 77 (pp. 3-57).
Na de vorming van de Westfriese Afzettingen I en II worden nog zes transgressiefasen onderscheiden langs onze kust:
(1) De Pre-Romeinse Afzettingen I (900 tot 400 vóór Chr.)
(2) De Pre-Romeinse Afzettingen II (300 vóór Chr. tot O AD)
(3) De laat-Romeinse en vroeg-Merovingische fase (250 tot 500/600 AD);
(4) De Ottoonse fase (850 tot 1000 AD)
(5) De laat-Middeleeuwse fase (1200 tot 1500/1600 AD)
(6) De moderne fase (vanaf 1700/1800 AD)

Volgens Pons en Wiggers komen, afgezien van de laat-Middeleeuwse kiekklei, in midden en oostelijk West-Friesland geen afzettingen uit deze zes fasen voor.
Afzettingen uit de eerste vier van de genoemde zes fasen komen niet verder landinwaarts voor dan tot maximaal 15 km van de kust, in een strook die loopt van de omgeving van Schagen tot Haarlem.
Afzettingen uit de laat-Middeleeuwse fase komen voor in een groot areaal in de Kop van Noord-Holland, ten noorden van de Westfriese Omringdijk, en in een klein gebied tussen Medemblik en Andijk (de zgn. kiekklei).
In de Zuiderzee werden tussen 0 AD en het einde van de 16e eeuw de Almere-afzettingen gevormd, en tussen 1600 en 1932 de Zuiderzee-afzettingen.

Kwaad, F.J.P.M., 1961. Een onderzoek naar de morfogenese van midden West-Friesland. West-Frieslands Oud en Nieuw, Jaarboek nr. 28 van het Historisch Genootschap Oud West-Friesland, pp. 6-50.
De auteur heeft in veel boringen in midden West-Friesland een goed herkenbare zwarte laag of horizont waargenomen op een diepte die varieert van 40 tot 80 cm beneden maaiveld. De dikte van deze zwarte laag is 15 à 20 cm. Hij bestaat uit stugge (pikkige), grijze tot vlekkig zwartgrijze klei of zandige klei met veel bruinzwarte tot zwarte, halfvergane delen van rietstengels en/of kleine brokjes zwart, houtskoolachtig materiaal. Plaatselijk komen alleen enkele brokjes zwart materiaal voor op 60 tot 80 cm onder het maaiveld. Volgens de auteur gaat het hier om een vegetatiehorizont. Op de meeste plaatsen is de zwarte laag door 20 à 40 cm grijze klei of zandige klei gescheiden van de teelaarde. Hier en daar ligt de zwarte laag direct onder de teelaarde. Op sommige plaatsen gaat de zwarte laag over in het veenlaagje dat de scheiding vormt tussen de Westfriese Afzettingen I en II. Waar dit niet het geval is, is voor de grijze (zandige klei) boven de zwarte laag door Kwaad de benaming Westfriese Afzettingen III ingevoerd. De ouderdom ervan is onbekend.

Ente, P.J., 1963. Een bodemkartering van het tuinbouwcentrum "De Streek". Verslagen van landbouwkundige onderzoekingen, nr. 68.16, Pudoc, Wageningen, 193 pp., tevens proefschrift.
Ente besteedt op diverse plaatsen in zijn boek (pp. 9, 16-18, 20-24, 30-31, 51-63, 146-148) aandacht aan zwarte lagen in de bovengrond van oostelijk West-Friesland (Het Grootslag). Hij toont ook enkele foto's van dit verschijnsel.

In de 12e eeuw na Chr. werd in de omgeving van Andijk een kleidek gevormd vanuit het zich uitbreidende Almere (ter plaatse kiekklei genoemd). In die tijd moet een groot deel van het gebied van Het Grootslag overstroomd zijn geweest. Vanaf die tijd deed de mens zijn invloed op landschap en bodem voelen. Eerst in de vorm van ontginning en verkaveling. In "De Streek"staat de behuizing op opgehoogde erven. De polder Het Grootslag heeft verschillende overstromingen gekend, maar deze hebben over het algemeen weinig sporen achtergelaten. Al vroeg heeft men met bagger uit de sloten akkers opgehoogd o.a. langs de Strekerweg en verspreid in het veld, vooral in de omgeving van Lutjebroek. Ook heeft men door de eeuwen heen grond afgegraven op hogere plaatsen en op de lagere akkers gebracht. Verder heeft men op beperkte schaal het vrij slechte veen afgegraven voor turf, en in recente tijd (jaren 1950) heeft men veel opgehoogde akkers weer afgegraven en genivelleerd. Door deze activiteiten komen veel zgn. 'verwerkte' bodemprofielen in Het Grootslag voor volgens Ente.

Op p. 17 bespreekt Ente een zgn. begroeiingslaag op de Westfriese Zeeklei. Hij onderscheidt daarin drie varianten: een zwarte zavellaag, een zwarte kleilaag (knik- of piklaag) en een moerige to venige laag, met allerlei overgangen daartussen. De moerige tot venige laag maakt soms een wat 'verslagen' indruk. De begroeiingslaag is plaatselijk doorsneden geweest met smalle, ondiepe, sterk slingerende geultjes die vaak zijn opgevuld met vuilgrijze klei of zavel.

N.B. moerig = grond met een hoog organische stofgehalte, minimaal 15% voor een zandgrond tot minimaal 30% voor een kleigrond; een veengrond is een moerige grond met 100% organische stof

Op pp. 20-24 bespreekt Ente de invloed op de bodem van homogenisatie en ophogen, met name op de oorspronkelijk aanwezige begroeiingslaag. Hij onderscheidt ophoging ineens en geleidelijk ophoging door opbaggeren uit sloten. De dikte van het baggerdek bedraagt maximaal 100 cm, doch varieert sterk. Tegenwoordig worden hoog opgebaggerde percelen weer afgegraven en sloten gedicht met materiaal uit het onderste deel van het baggerdek.

In hoofdstuk 4 (pp. 30-64, incl. foto's) beschrijft Ente gedetailleerd een aantal grondsoorten waarin de begroeiingslaag, een baggerdek, een kiekkleilaag en/of zgn. storende lagen voorkomen. Het meest voorkomende bodemtype in Het Grootslag is volgens Ente (p. 52) een grondsoort met een baggerdek en daaronder een moerige laag (d.i. de begroeiingslaag). Het baggerdek heeft een dikte van 25 tot 40 cm. De dikte van de moerige laag varieert van 10 tot 40 cm. Dikke moerige lagen benaderen soms het karakter van een echte veenlaag. Dunne moerige lagen benaderen de kenmerken van de knikkig of pikkige laag.

Op pp. 60-61 bespreekt Ente de gevolgen van zgn. ophoging-ineens op de bodem. Dergelijke gronden vertonen een opbouw van een humeuze teeltlaag van 20-40 cm, daaronder een grijze zavel- of kleilaag en daaronder de geconserveerde begroeiingslaag (Fig. 16 en 17). Soms komen botfragmenten en stukjes aardewerk voor in de zwarte laag onder de ophogingslaag (p. 62).

In hoofdstuk 11 (pp. 146-156) gaat Ente in op de zgn. woudgronden, o.a. Fig. 46. In hoofdstuk 12 (pp. 156-168) gaat hij in op de bewoning en ontginning voor 1300 AD. Tot in de 12e eeuw was er sprake van verspreide bewoning met een onregelmatige of blokverkaveling. Hieraan kwam een einde tijdens de periode waarin de kiekklei werd afgezet (eind 12e eeuw). Daarna begon de bedijking en verdere ontginning met een regelmatige of opstrekkende verkaveling.

Du Burck, P. en Dekker, L.W., 1968. Enkele resultaten van het onderzoek naar de genese van de gronden in midden West-Friesland. Boor en Spade, 16, pp. 131-156.
Het artikel betreft het gebied van de Vier Noorder Koggen. In het oosten grenst het aan de polder Het Grootslag. De auteurs nemen van Kwaad de benaming Westfriese III over. Het is de auteurs gebleken dat deze fase in het midden en westelijke deel van de Vier Noorder Koggen een grote verbreiding heeft. Zij beschouwen de Westfriese III als een verjonging van de voorafgaande fase van mariene sedimentatie. Zij kunnen de periode van afzetting van de Westfriese III niet aangeven. Het onderste deel van de Westfriese III vormt vaak samen met het bovenste deel van de Westfriese II een zware stugge laag, waarin soms een vegetatielaagje aanwezig is. Op p. 153 vermelden de auteurs, naast de invloed van de Westfriese III, de mogelijke rol van middeleeuwse overstromingen en menselijke ophogingen bij het ontstaan van een zwak humeus dekje in delen van de Vier Noorder Koggen.

Dekker, L.W., Wagenaar, K. en Zegers, H.J.M., 1968. De bodemgesteldheid van het ruilverkavelingsgebied "De Vier Noorder Koggen". Rapport nr. 689, Stiboka, Wageningen.
In dit rapport wordt gesproken over een "verjongingsdek". Dit is een dun dek van zware zavel en klei dat vermoedelijk ongeveer in dezelfde tijd of iets later dan de kiekkleiafzetting is gevormd (12e eeuw) in een groot gebied. Het bedekt een zeer groot oppervlak van de Westfriese Afzettingen I en IIa in het oosten van de Vier Noorder Koggen. Ook in het westelijke deel is op de Westfriese IIb een verjongingsdek aanwezig. Hier komt namelijk onder de teelaarde vaak een iets zwartige laag voor. Vanwege een relatie met oude slootjes lijkt de mogelijkheid groot dat het verjongingsdek is afgezet in de 11e of 12e eeuw.

Geel, B. van, Hallewas, D.P. and Pals, J.P., 1982/1983. A Late Holocene deposit under the Westfriese Zeedijk near Enkhuizen (Prov. of Noord-Holland, the Netherlands): palaeoecological and archaeological aspects. Review of Palaeobotany and Palynology, 38, pp. 269-335.
De auteurs beschrijven een zwarte bodemhorizont op een diepte van 2.70-2.75 m -NAP onder de Westfriese Zeedijk bij Enkhuizen die is gevormd vóór 2850 BP (900 v. Chr.). Het laagje maakt deel uit van de minerale ondergrond en vormt daarvan de top. In de zwarte horizont komen verkoolde deeltjes (houtskoolfragmenten) voor die verantwoordelijk zijn voor de zwarte kleur van de horizont. Het hoge houtskoolgehalte en de zwarte kleur zouden het gevolg kunnen zijn van natuurlijke en/of menselijke branden. Landbouwactiviteiten van Bronstijdboeren zouden verantwoordelijk kunnen zijn geweest voor dit verschijnsel. De auteurs spreken zich niet duidelijk uit over de aard van de verkoolde deeltjes ("epidermis fragments?"). Boven het zwarte laagje ligt gyttja en daarboven een flinke veenlaag. De auteurs beschouwen de gyttjalaag boven het zwarte laagje als een eerste indicatie voor de beginnende vernatting van het gebied die zou uitmonden in veengroei en de vorming van een dik veendek. De zwarte laag zou de periode representeren tussen de vorming van de minerale ondergrond (zeeklei) en de vorming van de gyttja. In deze periode valt de Bronstijdbewoning van midden en oostelijk West-Friesland. (Zie ook Figuur 7 uit het artikel van Van Geel, Hallewas en Pals hoger in deze website).

Wagenaar, K. en Van Wallenburg, C., 1987. Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, Blad 19 Oost, Alkmaar, en Blad 20 West, Lelystad + Toelichting. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen, Kaart + Toelichting (132 pp.)
In de Toelichting bij dit kaartblad van de Bodemkaart wordt op een aantal pagina's (pp. 16, 18, 19, 25, 30, 36, 38, 39, 41, 44, 45, 55, 59) gesproken over jongere vormingen dan de Westfriese Afzettingen II (Duinkerke 0).
p. 16: kiekklei
p. 18: Westfriese zeeklei III (Duinkerke 0)
p. 19: Middeleeuwse verspoelingen en verjongingen zijn in of nabij de kreekruggen aangetroffen als bruine of bruingrijze, iets knippige zavel- of kleilagen, die wat betreft de opbouw duidelijk afwijken van de Westfriese zeeklei. Ze zijn daar mogelijk gevormd vanuit veenstroompjes die verbinding hadden met aanvoerbases buiten het kaartblad, of met het voormalige Zuiderzeebekken.
p. 22: Van het noordoosten van West-friesland is bekend dat de zee via de Kromme Leek en andere ingangen actief was in de elfde en de twaalfde eeuw.
p. 25: Verhoogde hemen worden aangetroffen in het hele Westfriese zeekleigebied. Ze vormen een duidelijk bestanddeel van de verschillende woonstroken. Voorbeelden hiervan zijn: Oosterblokker - Westerblokker - Binnenwijzend, Zwaag - Oudijk etc. Ook komen geïsoleerde verhoogde hemen voor.
p. 30: Veel materiaal uit de ondergrond is gewonnen uit "daliegaten", om de kwaliteit van de bouwvoor te verbeteren. Binnen het gehele gebied is het ophogen en verversen van de grond van belang geweest. Er is heel veel klei en zavel als bagger gewonnen uit sloten, onder meer om de bouwvoor te verbeteren (stikstof-effect). Men was wel bij nacht en ontij hiermee bezig, ook op verboden plaatsen. Ook werd veel bagger van elders aangevoerd. Het baggeren gebeurde tot in de jaren 1930.
p. 34-39: Sinds ca. 1960 zijn een aantal ruilverkavelingen uitgevoerd. Door grondverzet en vewerking van veel specie uit de oude en de nieuw gegraven waterlopen zijn de oorspronkelijke verschillen in hoogteligging goeddeels weggewerkt. Er zijn twee typen van grondverzet te noemen: (a) door de boer zelf op zijn bedrijf (zgn. boerenvlak), en (b) in ruilverkavelinsgverband, beide gericht op egalisatie van het land. In het kader van de ruilverkavelingen zijn veel gronden "op de schop" geweest, met consequenties voor de bodemgesteldheid.
p. 45: In het Westfriese zeekleigebied worden op talrijke plaatsen woonstroken met een oude cultuurlaag aangetroffen. In het centrum is de humushoudende laag in het algmeen zwart, maar bij Hem, Venhuizen, Wijdenes, Schellinkhout, Wogmeer, Wadwaay en Opmeer is de tint meer bruin.
p. 55: Moerige gronden, ontstaan door vertering van veen en aangerijkt met materiaal uit sloten (bagger). Klei in de moerige bovengrond kan afkomstig zijn van kleihoudende bagger of van overslibbing uit de Duinkerke III-periode. Ook door oxidatie van kleihoudend veen kan klei als residu zijn achtergebleven.
p. 59: Dikke eerdgronden. Dit zijn oude cultuurgronden die overwegend zijn opgehoogd met materiaal uit greppels en sloten. De hoeveelheid materiaal uit greppels en sloten komt goed overeen met de dikte van het opgebrachte dek.

Bakker, J.A., 2004. A black soil in Bronze Age Noord-Holland. In: Libera, J. and Zakoscielna, editors, Festschrift J. Gurba, Lublin, p. 139-157.
Auteur schrijft de zwarte bodemlaag die is aangetroffen bij archeologische opgravingen van Bronstijdresten in oostelijk  West-Friesland toe aan de aanwezigheid van verkoolde plantenresten. Hij denkt daarbij aan grasbranden. De vormingstijd van de zwarte laag op de opgravingslokaties plaatst hij in de tijd van de Vroege-Hoogkarspelcultuur (Midden Bronstijd, ca. 3000-1300 voor Chr.). Deze vormingstijd zou ook kunnen gelden voor de zwarte laag elders in midden en oostelijk West-Friesland. De auteur sluit zich aan bij de bevindingen en interpretaties van v. Geel, Hallewas and Pals (1982/1983) (zie boven).

Conclusie
Uit de besproken publicaties komt duidelijk de aanwezigheid van een 'zwarte laag' in de bovenste meter van de bodem naar voren, op veel plaatsen in midden en oostelijk West-Friesland. De 'zwarte laag' wordt beschouwd als een begroeiingslaag.
Aan het begin van de website is reeds gewezen op het probleem, dat we niet zeker weten, of het in alle gevallen om een-en-dezelfde zwarte laag gaat. Dit bemoeilijkt het doen van uitspraken over de tijd van vorming van de laag. De aanwezigheid van houtskool of houtskoolachtige partikeltjes biedt misschien enig houvast. Voor de plaatsen waar de zwarte laag houtskooldeeltjes bevat mogen we wellicht aannemen, dat we te maken hebben met hetzelfde zwarte laagje dat door van Geel, Hallewas en Pals (1982/1983) is beschreven onder de Westfriese Zeedijk bij Enkhuizen en door Bakker (2004) onder grafheuvels uit de Bronstijd, en gaat het dus om een laag die is gevormd vóór 2850 BP (900 v. Chr.). Op die plaatsen is de zwarte laag dan niet een laatste overblijfsel van het veendek van West-Friesland, maar een ouder verschijnsel.

Als ontstaanswijze en ouderdom van het materiaal boven de 'zwarte laag' worden in de literatuur genoemd:
- natuurlijk sediment (ouderdom onbekend, of even oud als de zgn. kiekklei uit de 12e eeuw; er worden geen afzettingen genoemd die het gevolg zijn van overstromingen door dijkdoorbraken)
- ophogingsmateriaal uit de eeuwen vanaf de ontginning
Tijdens de ruilverkavelingen van de afgelopen 45 jaar is de bovengrond op veel plaatsen sterk verstoord.

Recent (2014) is door van Zijverden gesteld dat de zwarte laag het oppervlak is waarop in de Bronstijd werd geleefd.


Literatuur over de 'zwarte laag' in de bovengrond van midden en oostelijk West-Friesland

Bakker, J.A., 2004. A black soil in Bronze Age Noord-Holland. In: Libera, J. and Zakoscielna, editors, Festschrift J. Gurba, Lublin, p. 139-157.

Dekker, L.W., Wagenaar, K. en Zegers, H.J.M., 1968. De bodemgesteldheid van het ruilverkavelingsgebied "De Vier Noorder Koggen". Rapport nr. 689, Stiboka, Wageningen.

De Mulder, F.J., Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E. en Wong, Th.E. (redactie), 2003. De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen, 379 pp.

Du Burck, P. en Dekker, L.W., 1968. Enkele resultaten van het onderzoek naar de genese van de gronden in midden West-Friesland. Boor en Spade, 16, pp. 131-156.

Du Burck, P. en Ente, P.J., 1954. De bodemgesteldheid in het tuinbouwgebied van oostelijk West-Friesland. Boor en Spade, VII, pp. 150-158.

Ente, P.J., 1963. Een bodemkartering van het tuinbouwcentrum "De Streek". Verslagen van landbouwkundige onderzoekingen, nr. 68.16, Pudoc, Wageningen, 193 pp., tevens proefschrift.

Geel, B. van, Hallewas, D.P. and Pals, J.P., 1982/1983. A Late Holocene deposit under the Westfriese Zeedijk near Enkhuizen (Prov. of Noord-Holland, the Netherlands): palaeoecological and archaeological aspects. Review of Palaeobotany and Palynology, 38, pp. 269-335.

Kwaad, F.J.P.M., 1961. Een onderzoek naar de morfogenese van midden West-Friesland. West-Frieslands Oud en Nieuw, Jaarboek nr. 28 van het Historisch Genootschap Oud West-Friesland, pp. 6-50.

Pons, L. J. en Wiggers, A.J., 1960. De Holocene wordingsgeschiedenis van Noord-Holland en het Zuiderzeegebied. Tijdschrift Kon. Ned. Aardr. Genootschap, 76 (pp. 104-152) en 77 (pp. 3-57).

Wagenaar, K. en Van Wallenburg, C., 1987. Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, Blad 19 Oost, Alkmaar, en Blad 20 West, Lelystad + Toelichting. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen, Kaart + Toelichting (132 pp.)

Westerhoff, W.E., de Mulder, E.F.J. en de Gans, W., 1987. Geologische kaart van Nederland 1:50.000, Blad 19 West en 19 Oost (Alkmaar) + Toelichting (227 pp.). Rijks Geologische Dienst, Haarlem.